Het grote taboe bij moslims op het verzorgingstehuis

Het regent zegenwensen in Şefkat. Een niet aflatende stroom, als het gemurmel je eenmaal is opgevallen. Bij het eten, bij het aankleden (elk kledingstuk zijn eigen zegenwens), bij de dagelijkse wandeling. Een kussen dat opgeschud wordt. Een tweede schep bij het eten. Allah razi olsun komt het vaakst voor. Turks voor: God zegene jou. Daarna Allah yardi ‘lik. Marokkaans-Arabisch voor: Moge God tevreden over je zijn.

Şefkat (spreek uit: sjefkat, Turks voor mededogen) is de naam voor de vijfde verdieping van het Wereldhuis, een voormalig rooms-katholiek kloosterverzorgingshuis van Zorggroep Elde (ZGE) in Boxtel. Daar, op die verdieping, woont de snelst groeiende doelgroep voor ZGE: Turkse en Marokkaanse Nederlanders. Hun leefstijl staat hier centraal, zegt Jan Kees Metz, clusterdirecteur van Zorggroep Elde. „Hier houden we rekening met cultuurspecifieke gewoontes en de islam.” Vandaar de inpandige moskee op de begane grond, op 10 meter afstand van de kapel, waar de zusters die er nog steeds wonen, gebruik van maken. Elke week op vrijdag komt de plaatselijke imam om te preken voor de 22 bewoners van Şefkat. En vandaar ook de halalkeuken. En de alcoholvrije bar. Alles om de islamitische patiënt, én zijn familie, tevreden te stellen.

Het zijn precies de dingen die Sultan (55) over de streep trok bij wat waarschijnlijk de moeilijkste beslissing uit haar leven was. Drie jaar geleden meldde ze haar demente moeder, mevrouw Simsek, aan bij Şefkat. De kwestie ligt nog steeds gevoelig dus Sultan wil niet met haar achternaam in de krant. Ze is heel blij met het halal eten dat haar moeder krijgt. En met de islamitische geestelijke verzorgster die er bijna elke dag is. Maar waar ze vooral over te spreken is, is het personeel. Zij zijn, zegt ze, als familie. Ze spreken Turks met haar moeder, ook zij die geen Turkse achtergrond hebben. Zoals Sanna el Kadiri (37), vandaag een van de verzorgenden in de dagploeg.

Ze zit in de grote woonkamer aan tafel met mevrouw Simsek en nog twee andere Turks-Nederlandse bewoners van Şefkat. „Lahmaçun”, zegt El Kadiri tegen de vrouwen. „Domates war. Zeytun war.” Dan draait ze zich om naar iemand in de keuken. „Wat is komkommer in het Turks?” „Salata”, wordt er geroepen. „Salata war”, gaat ze verder. De dames aan tafel knikken instemmend. El Kadiri heeft hen zojuist uitgelegd dat morgen kookdag is en dat ze Turkse pizza gaan maken. Die opsomming betrof de ingrediënten. El Kadiri, een Marokkaans-Nederlandse, haalt haar schouders op over haar Turkse woordenschat. „De basiswoorden beheersen we allemaal: eten, drinken, water, toilet, pijn.”

Manicuredag

Het is manicuredag, bewoners die hun nagels en handen willen laten verzorgen kunnen dat door Neriman Yurekli laten doen. Neriman (44) werkt nu bijna vier jaar als activiteitenbegeleider in Şefkat. Zij is speciaal aangesteld om multiculturele activiteiten te bedenken voor de bewoners. Dat is nogal een opgave, legt ze uit terwijl ze bewoner Necmet een nagelbadje geeft. „Ik heb hiervoor met autochtonen gewerkt en daar sloeg alles aan wat ik verzon: puzzelen, spelletjes, tekenen. Hier is dat anders. De meesten van hen hebben nooit een instrument aangeraakt en ze hebben geen hobby’s. Ze hebben altijd heel klein geleefd.” Tekenen vinden ze kinderachtig, puzzelen hebben ze nooit gedaan en ze kennen eigenlijk maar één spel: Okey, een soort Turks rummikub. „Tv kijken is hun enige hobby”, zegt Yurekli. Daarom is er satelliettelevisie beschikbaar in de gezamenlijke woonkamer. En voor de Turkse mannen is er Okey aangeschaft.

Allah razi olsun.” Necmet bedelft Yurekli onder uitingen van dankbaarheid als ze klaar is met zijn nagels. Even verderop zet een van de mannen Turkse volksmuziek op zijn telefoon op. Meneer Gol, keurig gekleed in een geblokt overhemd, luistert uit beleefdheid mee. Het personeel weet dat hij meer van Elvis Presley houdt. „Zullen we dansen”, vraagt cliëntondersteuner Latifa el Farissi (36) hem. Ze zet muziek op van The King. Meneer Gol aarzelt. „Ik kan niet meer zo goed dansen als een paar jaar geleden”, zegt hij. Maar El Farissi heeft haar handen al op zijn schouders. Hij legt voorzichtig de zijne op haar schouders. Zo dansen ze rond op de muziek van Elvis Presley.

Verzorgingshuis Şefkat, waar 22 ouderen wonen, heeft een inpandige moskee, een halalkeuken en een alcoholvrije bar. Foto: Kees van de Veen

Lunchtijd. De bewoners worden langzaam naar een van de verschillende eettafels gedirigeerd. Het weekmenu is in overleg samengesteld door de kokkinnen van Marokkaanse en Turkse afkomst. Pirasali Kuzu staat er op. En Vistajine. Een enkele keer wordt er Nederlands gekookt, bijvoorbeeld als het aspergetijd is.

Clusterdirecteur Metz legde eerder al uit dat Şefkat een uitzondering vormt op het zogeheten ‘ontkoppeld koken’. Op de andere verdiepingen worden de maaltijden eetklaar aangeleverd door leveranciers. Dat zou niet werken bij deze islamitische bewoners. Omdat het halal moet zijn, maar ook omdat ze liever vertrouwde gerechten eten.

De dochter van mevrouw Simsek herinnert zich de tijd dat haar moeder nog in de Amstel zat: „Daar kreeg ze hutspot en zuurkool. Echt niks voor haar. Hier weten ze precies wat onze ouderen lekker vinden en wat ze gewend zijn te eten.” Vandaag is dat een spinaziegehaktrijstgerecht met een gebakken ei erbovenop. En salade.

Bewoner Fatna is onrustig tijdens het eten. Daarvoor eigenlijk ook al. Maar toen lukte het cliëntondersteuner Farissi haar te kalmeren door Fatna even met rolstoel en al op haar kamer te zetten. Nu schuift ze haar bord eten resoluut opzij. Ze wil niet eten, ze heeft iets anders aan haar hoofd. Voortdurend stelt ze vragen in het Marokkaans-Arabisch aan iedereen die haar aankijkt.

Fatna’s tafelgenoot Aisha eet stoïcijns door. Aisha heeft een jumbotas tussen haar voeten geklemd waaruit een paar lege spa flesjes steken. „Haar sleutels zitten er ook in”, legt El Kadiri uit die aanschuift om Fatna te helpen met eten. „Met die tas, voelt ze zich veilig.” Door haar ziekte is ze heel achterdochtig geworden, ze komt het liefst haar kamer niet uit. Tegen het personeel doet ze afwerend, tenzij het een vrouw van Marokkaanse afkomst is met hoofddoek. El Kadiri: „Zo iemand kan ze makkelijker plaatsen.”

Nederland, Boxtel, 14-12-’18; Op de afdeling Sefkat in zorgcomplex Wereldhuis in Boxtel wonen mensen met een migrantenachtergrond uit bijvoorbeeld Marokko, Turkije en Irak die vanwege dementie of lichamelijke problemen zijn aangewezen op (intensieve) zorg in een beschermde woonomgeving.

Foto: Kees van de Veen

Nederland, Boxtel, 14-12-’18; Op de afdeling Sefkat in zorgcomplex Wereldhuis in Boxtel wonen mensen met een migrantenachtergrond uit bijvoorbeeld Marokko, Turkije en Irak die vanwege dementie of lichamelijke problemen zijn aangewezen op (intensieve) zorg in een beschermde woonomgeving.

Foto: Kees van de Veen

Nederland, Boxtel, 14-12-’18; Op de afdeling Sefkat in zorgcomplex Wereldhuis in Boxtel wonen mensen met een migrantenachtergrond uit bijvoorbeeld Marokko, Turkije en Irak die vanwege dementie of lichamelijke problemen zijn aangewezen op (intensieve) zorg in een beschermde woonomgeving.

Foto: Kees van de Veen

Ouderen in het verzorgingstehuis Şefkat in Boxtel.
Foto’s Kees van de Veen

Over het ziektebeeld dat bij dementie hoort, is weinig kennis onder deze doelgroep. Soms noemen ze het een gekte of bezetenheid. „Maar ik hoor ook wel eens”, zegt El Kadiri, „dat een zoon of dochter het als een straf van God ziet.” Allah straft mijn vader want hij deed vroeger slechte dingen, zeggen ze dan. Ze kloppen bij het personeel aan met onrealistische verwachtingen. „Of we ze weer beter kunnen maken.” El Kadiri ziet een veranderende houding bij de derde generatie. „Zij spreken vlekkeloos Nederlands, lezen veel over de ziekte en zijn goed op de hoogte.”

Ik hoor ook wel eens dat een zoon of dochter dementie als een straf van God ziet

Toch ligt het grootste probleem niet bij het geringe ziekte-inzicht. Dat is, zo constateren alle betrokkenen, het gigantische taboe dat rust op opname in een verzorgingstehuis. Metz: „Vooropgesteld: wij zien hoe moslims hun ouderen met veel respect en liefde behandelen. Ze doen alles voor hen, ze maken zelfs hun werk en leven ondergeschikt aan de zorg voor hun ouders. Daar kunnen wij nog wat van leren.” Alleen, deze benadering heeft ook een keerzijde. „We hebben de grootste moeite om ze opgenomen te krijgen. En dan heb ik het over de mensen bij wie dat beslist noodzakelijk is.” Gevolg is, zegt Zakia Yarzada (31), dat ze pas bij ons binnenkomen als ze op zijn. Yarzada is al bijna tien jaar in dienst als verpleegkundige. „Pas als thuiszorg erop aandringt bij de familie dat het écht niet meer kan.”

Jachtgeweer

Neem bijvoorbeeld een van de huidige bewoners, meneer Sahin. Pas toen hij op vakantie in Turkije met een jachtgeweer naast zijn bed stond omdat hij dacht een inbreker te horen, werd de knoop doorgehakt. Hij lijdt aan Lewy Body-dementie, dat kenmerkt zich door pieken en dalen. Het ene uur is hij verward en het andere is hij weer aanspreekbaar.

Dit vertelt Cihan Sahin, zijn 40-jarige zoon. „Accepteren dat je je vader langzaam verliest aan de ziekte, was nog tot daar aan toe. Maar je wilt niet ook je moeder verliezen omdat hij haar iets aandoet.” In overleg met zijn broer en broertje heeft Cihan zijn vader ingeschreven bij Şefkat. „Het voelde aanvankelijk als een verlies, dat we niet voor hem konden zorgen.”

Accepteren dat je je moeder of vader hier moet brengen is een groot probleem, zegt ook Lenie van de Loo. Zij is als teamcoach verantwoordelijk voor de plaatsing van nieuwe bewoners. „Laatst nog was er een meneer die hier voor twee dagen kwam snuffelen. De familie trok zich op het laatste moment terug, zijn dochter legde uit dat de druk uit de omgeving te groot was.”

Sommigen omzeilen die druk door te zeggen: vader of moeder ligt in het ziekenhuis.

Verzorgende El Kadiri kent het uit haar eigen omgeving. „Als ze horen waar ik werk, zeggen mensen: wie doet nou zoiets?” Een keer kreeg een activiteitenbegeleidster die de familie van een patiënt persoonlijk kende, te horen: je houdt wel je mond hè. De interesse groeit ook, merkt El Kadiri. „Sommigen weten mij wel te vinden hoor. Via via. Alleen durven ze hun vragen nooit openlijk te stellen.”

Als ze horen waar ik werk, zeggen mensen: wie doet nou zoiets?

Je groeit ermee op, legt activiteitenbegeleidster Yurekli uit. De band met de ouders is benauwend hecht. „Soms hoor ik Nederlanders klagen: mijn zoon is 26 en hij is nog steeds niet het huis uit.” Ze lacht hard. „Nou dat komt onze strot niet uit.” Pas als ze trouwen, gaan de kinderen het huis uit, zo wil de traditie. Of ze nou 22 of 40 zijn. „We kunnen zo moeilijk loslaten.” Yurekli spreekt uit eigen ervaring. Ze heeft een dochter van 18 die op kamers wil. Liever niet, is haar antwoord. „En in veel gevallen”, gaat ze verder, „kun je zelfs nog bij je ouders terugkeren als je een gezin hebt. Na een scheiding wordt dat gewoon van je verwacht.” Zoals dat in het thuisland ging.

Zou Yurekli haar bejaarde ouders naar een tehuis brengen? Yurekli schudt met haar hoofd. „Het schuldgevoel is enorm.” Haar moeder is 83 en wil absoluut haar huis niet uit. „We proberen alles zelf te bolwerken.” Zelf heeft ze allang met haar dochter afgesproken hoe zij het wil. „Als ik oud ben, stop me maar gerust in zo’n verzorgingstehuis als Şefkat.”

Kus

Het gaat goed met Fatna. El Kadiri heeft haar aan het eten gekregen. Als haar bord al bijna leeg is, neemt Yarzada het van haar collega over. Yarzada is van Afghaanse afkomst en spreekt Turks noch Arabisch. Maar zegt ze, terwijl ze de daad bij het woord voegt: je kunt veel bereiken met gebaren, een glimlach of een aai op de rug. Fatna spint tevreden. Als ze klaar is met eten, geeft ze Yarzada een handkusje. Yarzada kust haar terug op de wang.

Het is een van de dingen die Sultan opviel toen ze haar moeder, mevrouw Simsek, hier plaatste. „Het personeel raakt de ouderen veel aan. Dat vind ik fijn. Wij Turkse mensen houden daarvan. En hoe ouder je wordt, hoe groter de behoefte.”

In reguliere verzorgingstehuizen gaat het er net iets formeler aan toe, zegt Neriman. „Daar spraken we de bewoners aan met mevrouw of meneer. Hier noemen we iedereen oom of tante. Zij noemen ons dochter. Ze houden van knuffelen. Daar vroeg ik me bij elke aanraking af of het wel gepast is.” Er is nog een verschil dat Neriman heeft opgemerkt: „Autochtonen bezoeken alleen hun vader of moeder. Hier is het meer een gemeenschappelijk ding. De schaal gaat rond, iedereen eet mee van wat het bezoek meebrengt.”

Nederland, Boxtel, 14-12-’18; Op de afdeling Sefkat in zorgcomplex Wereldhuis in Boxtel wonen mensen met een migrantenachtergrond uit bijvoorbeeld Marokko, Turkije en Irak die vanwege dementie of lichamelijke problemen zijn aangewezen op (intensieve) zorg in een beschermde woonomgeving.

Foto: Kees van de Veen

Nederland, Boxtel, 14-12-’18; Op de afdeling Sefkat in zorgcomplex Wereldhuis in Boxtel wonen mensen met een migrantenachtergrond uit bijvoorbeeld Marokko, Turkije en Irak die vanwege dementie of lichamelijke problemen zijn aangewezen op (intensieve) zorg in een beschermde woonomgeving.

Foto: Kees van de Veen

Foto’s Kees van de Veen

Het kleinste gebaar is voor deze groep ouderen belangrijk. Verzorgende Jacqueline de Gier die mevrouw Uzun op haar kamer helpt met aankleden en daarbij liefdevol een hoofddoek om haar grijze haren knoopt. Allah razi olsun. Of Yurekli die een vest voor een mevrouw haalt omdat die het hshoema (schaamtevol) vindt dat ze alleen een t-shirt aanheeft. Allah yardi ‘lik. Kokkin Safia die Arabische bruiloftsmuziek op haar telefoon zoekt omdat een Marokkaans Berberse dame daar zin in heeft. Allah yardi ‘lik. Die zegeningen doen je echt goed, zegt Yarzada na de lunch. „Ze zijn zó dankbaar.” El Kadiri komt er bij staan. Ze beaamt het: „Ja, je krijgt er veel voor terug, als je hier werkt. En als je gelovig moslim bent, zoals ik, nog meer. Ze doelt op de religieuze beloningen voor een goede daad. „In de islam noemen we dat hassanaat.”

Hoe belangrijk is het geloof eigenlijk voor de bewoners zelf nog? Iemand die aan dementie lijdt wordt immers niet meer geacht te voldoen aan zijn religieuze verplichtingen.

En toch, zeggen directie en medewerkers van Şefkat uit, is het belangrijk dat hen wel de gelegenheid wordt geboden. Specifiek islamitische activiteiten, zoals samen Koran lezen, zijn juist populair onder de bewoners. Fatma Tüfekçi, de geestelijk verzorger komt drie keer in de week om de bewoners daarin bij te staan. Ze luisteren samen naar wereldberoemde Koranreciteurs en zingen religieuze liederen. „We proberen aan hun religieuze wensen te voldoen”, zegt El Kadiri. Bewoners van Turkse afkomst vinden het bijvoorbeeld belangrijk dat het schaamhaar regelmatig verwijderd wordt. „Want je weet maar nooit wanneer de dood komt. Een meneer wilde per se geschoren worden voordat hij zou vliegen naar Turkije. Nou dan doen we dat.”

Activiteitenbegeleider Neriman Yurekli: „Ik heb hiervoor met autochtonen gewerkt en daar sloeg alles aan wat ik verzon: puzzelen, spelletjes, tekenen. Hier is dat anders. De meesten hebben geen hobby’s. Ze hebben altijd heel klein geleefd.” Foto: Kees van de Veen

Metz: „We volgen de wet- en regelgeving en het kwaliteitskader. Daarbinnen doen we alles om hen thuis te laten voelen.” En dus zijn de mannenkamers bewust bij elkaar in één gang gezet en de vrouwenkamers in de andere gang. En wil een vrouwelijke bewoner geen mannelijk personeel aan haar bed? Geen probleem. Maar, zegt Yarzada erbij, iedereen gelooft op een andere manier. „De één vindt kip van de Albert Heijn halal genoeg, de ander niet. Discussies daarover vinden niet plaats.” El Kadiri: „Wij staan aan de zijlijn, je mag je geloof invullen zoals je wil.”

Hoe is het eigenlijk voor een niet-moslim om in zo’n omgeving te werken? Dorien van de Langenberg (48) werkt sinds een jaar als verzorgende op ZZP-basis voor Şefkat. Daarvoor werkte ze 25 jaar op een varkensslachterij. Langenberg vertrok toen ze op een leidinggevende functie solliciteerde maar afgewezen werd vanwege haar geslacht. „Get”, zegt ze met een vies gezicht, „wat heb je daar te zoeken?” Die reactie kreeg ze van collega zzp’ers toen ze hoorden dat ze er een dienst zou draaien. „Maar ik voel me hier welkom, ik heb het gevoel dat ze toch dankbaarder zijn, voor de gewoonste dingen.”

Patiënten van Nederlandse afkomst gedragen zich volgens haar vaker alsof ze overal recht op hebben. „Als ik zeg dat ze even moeten wachten tot ik mijn pauze heb gehad, reageren ze verongelijkt. Hier niet.”

Taal is ook geen probleem, legt ze uit. „Als ik rustig praat, merk ik dat ze begrijpen wat ik zeg. Ze hebben alleen moeite met terug praten.”

Ruzies

Tegen schemering druppelen de verwanten binnen. Sultan had graag willen komen maar vanwege werk lukt het doordeweeks nauwelijks. Ze woont op anderhalf uur rijden. Ze is de enige van haar broers en zussen die zo vaak op bezoek komt. Omdat ze het oneens zijn met het besluit mevrouw Simsek hier te plaatsen. „Het is ook niet mis wat wij te horen krijgen van familie en vrienden: wat schandalig zegt iedereen. ” Ze klinkt nu geëmotioneerd door de telefoon. „We moeten ons constant verdedigen, alsof we iets schandaligs hebben gedaan. Maar mensen weten niet hoe zwaar het is.”

Jaren woonden Sultans ouders in bij hun oudste zoon. Toen zijn gezin overbelast raakte, ontstonden er ruzies. Zij werd geacht het over te nemen. „Maar ik vertrek half acht naar mijn werk, en ik heb geen extra slaapkamer voor mijn moeder. Moet ik haar dan de hele dag op de bank laten? Stop met werken, zeiden ze, dan krijg je pgb. En als ze dan over een half jaartje overlijdt, wie betaalt dan mijn hypotheek? Nee dat kan ik niet.” Sinds haar moeder in Şefkat woont, hebben haar broer en zus geen normaal contact meer met haar. „Zij geven mij de schuld.”

Mevrouw Rahmani krijgt wel bezoek vandaag. Haar kleinzoon zit naast haar, hun handen ineen verstrengeld. Hij is 19 jaar en komt uit Den Bosch, om privacyredenen wil hij niet met zijn naam in de krant. Maar hij wil best vertellen over zijn bezoekjes. „Ik kom hier ongeveer twee keer per week. Als ik niet werk of huiswerk heb.” Het blijken om bezoekjes te gaan van gemiddeld vier uur. „Dan eten we frietjes beneden, dat vindt ze lekker. En daarna bellen we met whatsapp naar Iran, met mijn oom. Mijn oma is goed in servetjes vouwen dus soms krijgt ze een stapel van het personeel en dan werken we de stapel weg. Gisteren was ik er ook. Maar dat vergeet zij, zij was net aan het klagen dat er niemand was.” Bewoonster Fatna verstoort hun samenzijn ruw als ze een tirade in het Arabisch begint tegen de jongen. Hij lacht en luistert geduldig. „Ik ken haar. Dat is oma’s buurvrouw.”

Source link
2019-05-01 14:12:20

nuno-show.nl

error: Content is protected !!

This Area is Widget-Ready

You can place here any widget you want!

You can also display any layout saved in Divi Library.

Let’s try with contact form: